Hoe ga je aan de slag met de G-PIT?

Hieronder staat in stappen uitgelegd hoe je aan de slag gaat met de G-PIT. Allereerst is het handig om te weten dat de G-PIT 1 meter lang is. Hiermee kun je dus vrij eenvoudig gewenste afstanden op de green mee uitmeten, zoals in Figuur 4.

Figuur 4. Voorbeeldopstelling green.

Tip: Ga goed recht boven je bal staan. Hoe je dit het beste doet zonder een bal op de green te hebben liggen::

  1. Neem de puthouding aan die je van de golfpro geleerd hebt.
  2. Blijf stabiel staan en laat je rechterhand los van de putter (links voor linkshandigen).
  3. Pak een golfbal zonder van houding te veranderen.
  4. Houd de golfbal net onder je linkeroog en kijk met je rechteroog naar het slagvlak van
    je putter (omgekeerd voor linkshandigen).
  5. Laat de golfbal vallen: deze moet nu net voor en in het midden van het slagvlak van je
    putter op de green vallen, zie Figuur 5.
  6. Oefen dit vaak zodat het innemen van de juiste puthouding onderdeel van je routine
    wordt.
Figuur 5: Positie golfbal ten opzichte van de putten en de G-PIT.

Opmerking: Dit is één manier om een goede stand en positie ten opzichte van de golfbal in te nemen. Er bestaan meerdere methodes en elke golfpro legt deze uit vanuit eigen ervaring en kennis. Met meer putervaring ontwikkel je meestal een routine die het beste bij jou past

Stap 1: Oefenlocatie op de green

Zoek een vrije plek op de green met een gewenste oefenafstand van x meter je tussen de golfbal en de cup (in Figuur 4 wordt een voorbeeldafstand van 3 meter weergegeven). De green moet zo vlak mogelijk zijn zodat je een (bijna) rechte put kunt maken. Plaats een golfbal op deze afstand van de cup.

Stap 2: De G-PIT plaatsen

Plaats de G-PIT op de green met de witte pijl recht richting de cup. Doe dit parallel aan de denkbeeldige lijn tussen de golfbal en de cup, waarbij het streepje op de haakse strip op deze lijn achter de bal ligt. Zorg ervoor dat het witte vlak op de G-PIT gelijkligt aan de bal. Steek een lange tee, minstens 3 cm, in het gat midden in het witte vlak op de lange strip. Met deze opstelling kun je gaan oefenen.

Stap 3: De putter plaatsen

Plaats de tip van het slagvlak van je putter op ongeveer één ballengte terug van degolfbal, zie Figuur 6. Op deze positie kun je de putbeweging maken zonder dat je met de putter de golfbal raakt. Maak dit een vast onderdeel van je putroutine.

Figuur 6: Plaatsing putter.

Stap 4: Oefenbewegingen

Maak vanuit deze positie rustige, constante pendulebewegingen. Zorg dat de putterkop tijdens de hele beweging zoveel mogelijk op gelijke afstand van de langszijde van de G-PIT blijft.

De pendulebeweging is symmetrisch ten opzichte van het startpunt en wordt in één vloeiende, constante beweging uitgevoerd: van het naar achter bewegen van de putter tot het einde van de voorwaartse slag, zie Figuur 7. Hoe meer gecontroleerd deze putbeweging wordt uitgevoerd, hoe beter je het putproces onder de knie krijgt.

Figuur 7: Pendulebeweging.

De afstand die de bal aflegt, wordt bepaald door de grootte van de pendule-uitslag: hoe groter de uitslag en hoe verder de bal rolt. Houd de snelheid van de pendulebeweging zo gelijk mogelijk en varieer alleen de uitslag om de juiste afstand te controleren. Door dit regelmatig te oefenen wordt de beweging vanzelf een vast onderdeel van je routine.

Stap 5: De putter positioneren

Positioneer de putter met het midden van het slagvlak direct achter de bal zodat het merkteken op de bovenzijde exact achter de bal staat. Vanuit deze positie maak je geen slaande beweging, maar een pendulebeweging. Onderdruk de neiging om de bal te “slaan” en laat de putter de bal meenemen in een vloeiende, gecontroleerde beweging.

Tip: Zie de golfbal niet als een doel dat je moet raken, maar als iets wat je meeneemt in de pendulebeweging. Het echte doel is de cup. Oefen dit eventueel thuis door een schijfje papier ter grootte van een golfbal te gebruiken en de pendulebeweging te maken, eventueel met de G-PIT om een rechte beweging te trainen.

Stap 6: De putter uitlijnen

De putter staat midden achter de bal, waarbij de golfbal zich in het hart van het slagvlak bevindt. Het merkteken op de putter helpt om dit te controleren, maar hiermee weet je nog niet of het slagvlak ook zuiver haaks staat op de bewegingsrichting van de putter.

Om dit te controleren, beweeg je de putter iets weg van de bal zodat de referentiestrip onder de putter zichtbaar wordt, zie Figuur 8. Let daarbij op twee punten:

  1. De hartlijn van bal, het slagvlak en de referentiestrip liggen op één lijn.
  2. De referentiestrip is bij de tip en hiel van de putter even breed zichtbaar
Figuur 8: Putterpositionering.

Zijn beide punten in orde, dan is de putter correct uitgelijnd en kun je de pendulebeweging uitvoeren. Blijf hierbij denken aan bewegen, niet aan slaan.

Is dit niet het geval, dan staat het slagvlak niet correct gepositioneerd en zal de bal afwijken van de gewenste lijn. Zelfs een kleine afwijking in de stand van het slagvlak kan al zorgen voor een duidelijke richtingsverandering van de bal, zie Figuur 9.

Figuur 9: Onbedoelde afwijking van het slagvlak.

De G-PIT is voorzien van een haakse referentie om deze afwijkingen zichtbaar te maken. Hierdoor kun je gericht oefenen en leren hoe de stand van het slagvlak en de zwaaibaan samen het rolgedrag van de bal bepalen. Regelmatig oefenen is nodig om dit gevoel te ontwikkelen; schakel hierbij eventueel de hulp van een golfpro in.

Stap 7: De pendulebeweging en afstand bepalen

Oefen eerst met de G-PIT met de haakse, korte strip. Wanneer je dit beheerst, kun je de korte strip weghalen en stap 6 herhalen zonder hulp. Als je het slagvlak haaks houdt, zal de bal netjes richting de cup rollen.

Bepaal nu hoe ver je de putter naar achteren wilt zwaaien om de gewenste afstand te bereiken. Gebruik bijvoorbeeld een markering of een punt op de G-PIT als referentie, zodat je steeds dezelfde achterwaartse beweging kunt maken.

Tijdens het oefenen kan de bal te kort of te lang rollen; dit is niet fout. Dit geeft juist waardevolle informatie voor je volgende put en helpt je de pendulebeweging en afstand beter te beheersen.

Stap 8: Uitvoeren van de putbeweging

Concentreer je en maak de pendulebeweging met dezelfde afstand naar achter als naar voren, zodat de putter onderweg de bal raakt en deze richting de cup rolt.

Tip: Versnel de beweging naar voren niet en kijk pas naar de rollende bal of vlag als de slag naar voren klaar is. Concentreer je volledig op je postuur, de positie van de bal en de achterwaartse pendule.

Houd de zwaaibaan voorbij de bal gelijk aan de achterwaartse zwaai. Dankzij de G-PIT kun je je volledig richten op een zuivere, gecontroleerde beweging. De bal rolt nu gecontroleerd richting de vlag.

Stap 9: De put evalueren

Bekijk waar de bal tot stilstand komt en laat dit even op je inwerken. Oordeel niet of het een “goede” of “slechte” putt is: elke putt geeft waardevolle informatie voor de volgende. Herhaal bovenstaande stappen totdat je tevreden bent met het resultaat, wat niet per se betekent dat de bal in de cup moet eindigen. Houd hierbij rekening met het volgende:

  1. De bal moet voorbij de cup rollen om kans te maken dat hij erin valt.
  2. De afstand tussen de cup en de tot stilstand gekomen bal mag maximaal 10% van de putafstand zijn.

LET OP: Het is nog niet belangrijk of de bal kaarsrecht naar de cup rolt. Als de bal voorbij de cup ligt, maar in de breedterichting te ver afwijkt (>10% van de afstand), dan is de lengte van je putt correct, ook al is de richting nog niet perfect. Afwijking in breedterichting kan meerdere oorzaken hebben en wordt later gecorrigeerd.

Stap 10: De putt analyseren

Bekijk de uitkomst van je putt en de positie waar de bal tot stilstand is gekomen. Ga ervan uit dat de green vlak en recht is tussen bal en cup.

Analyseer of je alle voorgaande stappen goed hebt uitgevoerd. Zo niet, voer dan correcties door in je volgende puttoefeningen. Als het niet lukt om zelf te analyseren, lees dan verder bij “Hoe analyseer je de resultaten?”.

Hoe analyseer je de resultaten?

Het oefenen met de G-PIT helpt je precies te zien hoe de grootte van je pendulebeweging de afstand van de golfbal beïnvloedt. Door systematisch te analyseren, leer je stap voor stap je puttechniek verbeteren. Begin met het controleren van de lengte van je put. Kijk waar de bal tot stilstand komt.

  • Te kort: maak de volgende put met een iets grotere pendulebeweging.
  • Te ver: maak de volgende put met een iets kleinere pendulebeweging.
  • Op de cup: de pendulebeweging is correct.

Kijk ook naar de positie van de bal in breedterichting. Ligt de bal te ver naast de cup, dan kan dit komen doordat het slagvlak van de putter niet haaks stond op de zwaaibaan of doordat de G-PIT niet goed gepositioneerd was, ervan uitgaande dat de golfbal in een rechte lijn over de green gerold heeft.

Corrigeer dit en oefen opnieuw totdat de bal consistent de juiste baan volgt. Herhaal dit meerdere keren, zowel met als zonder G-PIT, zodat je het effect van de pendulebeweging op de afstand goed leert inschatten. Niet tevreden? Vraag advies aan je golfpro: hij zal je vast kunnen helpen.

Wanneer je het putten op korte afstand onder de knie hebt, kun je langzaam naar langere afstanden opbouwen. Doe dit in kleine stappen van 1 tot 1,5 meter en oefen eerst alleen op vlakke, rechte stukken van de green. Pas later begin je met het lezen van glooiingen en andere variaties. Het is belangrijk om eerst het putten op lengte goed onder de knie te krijgen voordat je extra uitdagingen toevoegt.

De kracht van de G-PIT is dat elke oefenputt direct feedback geeft: je leert precies hoe ver een bepaalde pendulebeweging de bal laat rollen. Dit helpt je een betrouwbare referentie te ontwikkelen en geeft rust bij het oefenen.

Houd er rekening mee dat elke oefensessie een momentopname is. Bij een volgende putt op dezelfde plek, enkele uren of dagen later, kan het zijn dat je de pendulebeweging iets korter of langer moet maken.

Oorzaken kunnen zijn:

  • Het verschil tussen een droge en natte green.
  • Het verschil in kort of wat langer gras op de green.
  • Of het regent of droog weer is. Het is goed om in verschillende weersomstandigheden te oefenen, want wedstrijden gaan in het algemeen gewoon door als het regent. Alleen bij onweer wordt wedstrijd tijdelijk onderbroken of in zijn geheel gestopt.
  • Of je met of tegen de vleug van het gras put.
  • Of je rustig bent bij het oefenen of gehaast bent met putten. Bijvoorbeeld omdat je al snel naar de eerste tee moet gaan om aan je golfronde te gaan beginnen.
  • Of de greens geprikt en/of gezand zijn.
  • Of je bij harde wind tegen de wind in, met de wind mee of dwars op de windrichting moet putten. Meestal alleen van grote invloed als de green een stimp waarde van 10 of hoger heeft.

Het belangrijkste is dat je leert observeren, analyseren en bijstellen. Zo levert elke putt waardevolle informatie op voor je volgende putt en ontwikkel je geleidelijk een gevoel voor de juiste lengte en richting.

Scroll naar boven